Geschiedenis

1852 – 1902: Geboorte van Klauwaard en Geus

De oorsprong van ‘t Zal Wel Gaan ligt bij drie leerlingen van het Gentse atheneum aan de Ottogracht. In 1852 richtten zij onder invloed van hun leraar Heremans, later de eerste hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Gentse Rijksuniversiteit, een Vlaamse en vrijzinnige kring op. Stichtend lid Julius Vuylsteke transporteerde dit initiatief vervolgens naar de universiteit, waar in het academiejaar 1853-1854 het Taalminnend Studentengenootschap ‘t Zal Wel Gaan ter wereld kwam.

Het jonge ’t Zal wijdde zich in haar beginjaren hoofdzakelijk aan het ondersteunen van de ontluikende Vlaamse beweging en het vrijzinnig verzet tegen de macht van de katholieke kerk. Het motto van ’t Zal, ‘Klauwaard en Geus’, drukte deze tweeledige bekommernis uit. ’t Zal mengde zich onder meer in de verdediging van een aantal professoren aan de Gentse universiteit toen deze in conflict kwamen met de kerk, vanwege de inhoud van hun vakken, en petitioneerde de universiteit voor het inrichten van Nederlandse vakken. In 1858 ontstond er daarnaast heel wat opschudding toen de jonge tzaller Adolf Dufranne, die samen met Emiel Moyson aan de wieg van de Gentse vakbondbondsbeweging stond, als eerste in België burgerlijk begraven werd. De dubbele strijd voor Klauwaard en Geus zal gedurende de geschiedenis van ‘t Zal een belangrijke rol blijven spelen, hoewel elke generatie zich op een andere manier tegenover de Vlaamse beweging en de vrijzinnigheid zou verhouden.

Al meteen kropen de leden van ’t Zal Wel Gaan ook in hun pen. Zij publiceerden in 1854 de eerste van een lange reeks literaire almanakken, met daarin essays, kortverhalen en gedichten van zowel serieuze als ludieke aard. In 1857 werd door de kerk een ban afgeroepen over deze almanakken, een vonnis dat door ’t Zal algauw werd verwerkt in allerhande teksten, liedjes en rituelen.

Vanaf 1870 werden de tijden steeds woeliger: de Frans-Duitse oorlog, de commune van Parijs, de schoolstrijd, en de teloorgang van de Eerste Internationale zorgden ook aan de universiteit voor een verdieping van de politieke tegenstellingen. Ondertussen namen echter ook de studentenaantallen toe, en het ledenbestand van ’t Zal, hoofdzakelijk afkomstig uit de liberale burgerij, kende een gestage groei. Vooral de periode rond 1885 was van bijzonder belang voor de vereniging, toen zij zich actief mengde in de maatschappelijke strijd. ’t Zal maakte deel uit van de voorhoede die pleitte voor Nederlandstalig hoger onderwijs, en vocht mee voor de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht.

In 1885 werd ook de Bond der Oud-Leden (BOL) van ’t Zal Wel Gaan opgericht. Deze BOL moest renteloze studieleningen uitschrijven aan armlastige studenten, maar had als voornaamste opdracht toch de ondersteuning en continuïteit van het studentengenootschap.

1902 – 1952: Oorlog en roerige vrede

In 1904 leidde de strijd voor Nederlandstalig hoger onderwijs tot een schisma binnen ‘t Zal. Aangezien in het parlement enkel de christendemocraten, bij monde van priester Fonteyne, een vernederlandsing van het hoger onderwijs genegen waren, stelden een aantal ’t Zallers voor om deze Vlaamsgezinden te steunen. De motie haalde het niet, wat tot het vertrek leidde van een aantal leden die vervolgens ‘Ter Waarheid’ oprichtten.

Verschillende van deze dissidente ex-’t Zallers speelden later een rol in het activisme van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die diepe wonder sloeg onder de vrijdenkers. Veel leden en oud-leden stierven aan het front, en de vereniging werd verscheurd door debatten over het activisme en de frontpartij. Zo was er een hoogoplopende ruzie tussen de studentenvereniging en haar Bond der Oud Leden, toen de BOL weigerde om ’t Zallers die lid waren geweest van de frontpartij op te nemen in haar rangen. Doorheen het interbellum zouden deze debatten echter naar de achtergrond verschuiven. Ten dele omdat de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit eindelijk werd beslecht (in 1923 halfslachtig, in 1930 volledig), maar ook omdat de Vlaamse beweging in toenemende mate besmet werd door het opkomend fascisme. ’t Zal evolueerde naar een politiek heterogene vereniging die verschillende progressieve strekkingen bij elkaar bracht, gaande van liberalen tot socialisten en communisten.

Tijdens de jaren dertig werd ’t Zal dan ook een uitgesproken antifascistisch bastion. Verschillende leden vertrokken naar Spanje om aan de kant van de republikeinen te vechten in de burgeroorlog; twee ’t Zallers werden vermoord door de Franquistische milities. Wanneer de vereniging tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgens werd verboden door de Duitse bezetter, gingen verschillende leden en oud-leden in het actief verzet. Een aantal van hen werd doodgemarteld, geëxecuteerd of naar de kampen gestuurd.

1952 – 2002: Verandering en Protest

In de jaren na de wereldoorlogen vormden antifascisme en vrijzinnigheid het bindmiddel tussen de verschillende politieke strekkingen die ’t Zal intern verdeelden. Tekenend voor deze diversiteit was dat ’t Zal in deze periode zowel lid werd van de International Union of Students als van de World Union of Students. Deze eerste entte zich op het communisme, terwijl de World Union net sterk Amerikaans georiënteerd was. De maatschappelijke energie van de vereniging ging in deze periode hoofdzakelijk naar de schoolstrijd, die zij mee voerde in woord en ook daad, door mee te manifesteren en af toe op de vuist te gaan met leden van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond.

Tijdens de jaren ’60 werd ’t Zal bevangen door de antiautoritaire tijdsgeest, en trad er een sterk anarchistische periode aan. De leden, toen hoofdzakelijk kunstenaars en hogeschoolstudenten, voegden aan ‘Klauwaard en Geus’ het motto ‘Geen God Geen Meester’ toe, en er ontstond binnen ’t Zal een vleugel van de provobeweging. Deze generatie ageerde tegen de consumptiemaatschappij en voor seksuele ontvoogding, en was bezeten door de politiek-filosofische Drievuldigheid van haar tijd: de revolutie in Cuba, de oorlog in Vietnam en het existentialisme. Het bestuur werd afgeschaft, en de macht kwam volledig te liggen bij de algemene ledenvergadering.

Provo werd in 1967 ontbonden, teleurgesteld door de autoritaire tendensen van de communistische student-kameraden en het consumptiekapitalisme van de arbeiders. Ook binnen ’t Zal ontwaakten deze schisma’s: een groot aantal leden was het niet meer eens met de apolitieke stellingname van ’t Zal. Zij verlieten de vereniging en sloten zich aan bij trotskistische en maoïstische studentenbewegingen. Deze uittocht werd gecompenseerd door de aanwas van een nieuwe generatie, die zich net wel kon vinden in het apolitieke elan van ’t Zal.

In de tweede helft van de jaren ’70 nam de belangstelling echter af, tot er eind jaren ’70 nog maar een handvol ‘t Zallers overbleven. De ondersteunende rol van de Bond der Oud Leden werd in deze periode voor het eerst existentieel: om de vereniging te redden begon ze dan zelf maar leden te ronselen. Deze interventie had succes, en ‘t Zal kende aan het begin van de jaren ’80 een nieuwe hoogtepunt. In 1981 verscheen voor de eerste keer in jaren weer een almanak, en onder impuls van Tom Lanoye richtten de studenten een literair tijdschrift op, ‘t Zwarte Gat. ’t Zal en BOL reikten in 1979 ook de eerste Geuzenprijs uit. Deze prijs was (en is) bedoeld als “een hommage aan signalen van het creatief vermogen van de vrije, kritische geest en als bijdrage tot de uitstraling van een volwassen, ongecompliceerde vrijzinnigheid”. Laureaten werden gekozen “onder hen die, zonder daarom een onberispelijk boegbeeld te moeten zijn, de mond niet willen houden of de pen niet willen breken tegenover alles wat een vrij, open meerdimensionaal leefklimaat in Vlaanderen tegenwerkt of bedreigt”. Deze prijs wordt nog steeds op onregelmatig termijn uitgereikt.

Enkele jaren later doofde deze energie echter weer uit. Vanaf de jaren negentig kwam ‘t Zal terug in een dal terecht, met weinig leden en weinig activiteit. Pas na de millenniumwisseling wist het studentengenootschap zich te herpakken.

‘t Zal na 2002

Een aantal jaar na de millenniumwisseling begon ’t Zal weer recht te krabbelen. Opnieuw was het de BOL die er in slaagde om een kleine kring van studenten te enthousiasmeren, een waakvlam die zich vervolgens langzaam verspreidde. Met een mooie cirkelbeweging naar de orangistische wortels van de vereniging, werd deze doorstart geleid door een voorzitster die net als een belangrijk deel van het toenmalige ledenbestand afkomstig was uit Nederland.

Terwijl de rangen aanzwollen, onderging ‘t Zal opnieuw een gedaantewisseling. Misschien vanwege de dominante aanwezigheid van studenten wijsbegeerte, lag de nadruk hoofdzakelijk op ‘nie geluve!’ eerder dan ‘Klauwaard en Geus’. ‘t Zal profileerde zich in de eerste plaats als een vrijdenkerscollectief, als een vrijplaats voor open discussies over politiek, filosofie en al wat er nog restte aan maatschappelijke taboes. In hun nieuwe hoofdkwartier aan de Huidevetterskaai, onder het dak van het bevriende Van Crombrugghe’s Genootschap, werd een wekelijkse agenda vol lezingen, debat en retorisch vuurwerk opgetuigd. Al naargelang de smaak van wie er op dat moment de vereniging bevolkte werd deze aangevuld met ‘filosofische cafés’ dan wel poëzieavonden. Echo’s van het provo-tijdperk weerklonken in het onderzoek naar seksualiteit en taboes (met discussies over polyamorie, BDSM, porno, pedofilie, et cetera), en de algehele nadruk op ‘vrij’ spreken, denken, handelen, liefhebben… De politiek-filosofische samenstelling van het ledenbestand was (en bleef) zeer bont: de website meldde trots dat ’t Zal gefrequenteerd werd door alles van ‘communistische individualisten’ tot ‘porno-verzamelende feministen’ en ‘islamofobe libertairen’.

Buiten haar lokaal was deze viering van kritisch pluralisme zichtbaar in de organisatie van twee Antagonistisch Festivals (in 2014 en 2017-18) en de uitreiking van twee Geuzenprijzen: eerst aan Etienne Vermeersch en Erwin Mortier in 2010, vervolgens aan Dyab Abou Jahjah in 2014 – een keuze die ook binnen de vereniging voor controverse zorgde. Verder was ’t Zal echter relatief onzichtbaar in het publieke debat. Oude politieke breuken staken ogenschijnlijk weer de kop op, maar deze hadden nog maar weinig van doen met de strijd van weleer: een van de belangrijkste interne conflicten betrof het al-dan-niet toelaten van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) tot het Politiek Filosofisch Konvent van de UGent, maar ditmaal draaiden de discussies rond vrijheid van meningsuiting, en het al dan niet ‘tolereren van de intoleranten’. Debatten over de frontpartij en het Flamingant activisme waren nergens te bespeuren.

De wederopstanding van het studentengenootschap, dat in 2012 haar 160e verjaardag vierde, ging ook gepaard met een heropleving van verloren (of vermolmde) tradities, en een opstoot aan talige productie. ’t Zal zong weer uit volle borst mee op de ‘tonzittingen’ (een combinatie van speeches, liedjes en theaterstukjes), beviel in 2012 eindelijk van een nieuwe almanak, organiseerde essaywedstrijden, en publiceerde met enige regelmaat boekjes (zoals De Bergerak), tijdschriften (zoals ‘t Zchrift en de Springstier), en liedjes of ‘bans’. Daarnaast zorgde de instroom van nieuwe leden na een aantal jaar dat ook de BOL weer opleefde. Haar demografisch postuur, tot voor kort een omgekeerde piramide, heeft vandaag de vorm van een zandloper.

Meer recent keert ’t Zal opnieuw sterker de blik naar buiten. De pluralistische traditie werd verder gezet door samen te werken met een breed scala verenigingen, van de Jongsocialisten tot LVSV en Auw La, maar er waaide ook een nieuwe, meer politieke wind. De jongste garde heeft zich geworpen op de strijd tegen reactionair rechts aan de universiteit en daarbuiten, oude vijanden die vandaag in pak en das weer aan kracht winnen, en ze haalde de banden aan met vrijzinnige bondgenoten als Vrij Onderzoek, Hujo en het Vermeylenfonds. Vertegenwoordigers van de BOL zetelen sinds kort ook weer in de Mens.nu.

Misschien wel gedijend bij tegenwind, kan ’t Zal allengs vol zelfvertrouwen een lied zingen dat gepend werd in magerder tijden, bij de vertwijfelde viering van 150 jaar ’t Zal Wel Gaan in 2002: ‘Ook al zijn wij in den ban/maar wel stier of koe of kalfje/ tussen ons flitst de vlam/ ‘t Kan alléén maar in ’t Zal/ Over…nog eens 50 jaar!’